Gemeenten worden volgend jaar via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ook verantwoordelijk voor beschermd wonen. Afspraak is dat ggz-cliënten de zorg die ze nu hebben minimaal vijf jaar behouden.

.

 

Instellingen en belangenorganisaties hebben er lang voor gestreden de aanspraak op zorg voor die groep ggz-cliënten goed te borgen. Waar de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zo veel mogelijk autonomie voor gemeenten wilde, hechtten de regionale instellingen voor begeleid wonen, de RIBW’s, aan zo veel mogelijk waarborgen voor hun cliënten. De ‘strijd’ om het beschermd wonen is – in tegenstelling tot die rondom de persoonlijke verzorging – meer in de luwte gevoerd, maar heeft min of meer in dezelfde periode gewoed.

Het overleg heeft volgens Van Tuijn uiteindelijk tot goede afspraken geleid. Er is een overgangsregime van vijf jaar afgesproken, waarbij de cliënten de zorg die ze nu hebben behouden. Het huidige Awbz-budget gaat een-op-een over naar gemeenten. Daarnaast blijft de deur tot de Wet langdurige zorg (Wlz; de ‘kern-Awbz’) open voor de mensen met de ernstigste beperkingen ten gevolge van hun psychiatrische aandoening. Ook de mogelijkheid om vanuit de Wlz weer terug te stromen naar de Wmo is geregeld. Van Tuijn: ‘Die achterdeur was voor ons een heel belangrijk punt.’

De RIBW-alliantie trok daarin samen op met GGZ-Nederland, de Federatie Opvang en het Landelijk platform GGz. ‘Een van onze belangrijkste bezwaren was dat er in de Wmo geen waarborg voor de zorg voor onze cliënten was. Binnen de Wmo geldt immers geen wettelijke aanspraak op zorg’, aldus voorzitter van de RIBW-alliantie, Artie van Tuijn. ‘Onze cliënten zijn mensen met ernstig psychiatrische ziektebeelden. Je mag blij zijn als ze een enigszins genormaliseerd bestaan kunnen leiden.’ En dat is beschermd wonen in een (groeps)woning in de wijk, en meedoen aan een vorm van dagbesteding. ‘De zorg voor hen wilden we niet overlaten aan de willekeur van gemeenten’, aldus Van Tuijn.

Weerstand 
De aanvankelijke weerstand van de RIBW’s tegen de overgang van hun cliënten naar de Wmo, heeft plaatsgemaakt voor gematigde tevredenheid. De exacte invulling van de randvoorwaarden blijft wel een aandachtspunt. Dat betekent  niet dat alle zorgen zijn weggenomen. ‘Het budget gaat weliswaar in zijn geheel over naar de gemeenten, maar er is nog altijd een flinke wachtlijst.’ Per RIBW staan gemiddeld 112 mensen op een wachtlijst, die gemiddeld 236 dagen moeten wachten op een plek. Wegwerken daarvan kost extra geld. Ieder jaar neemt het aantal cliënten met 5 procent toe. Ook met kostenstijging van de zorg is geen rekening gehouden. Veel van de gemaakte afspraken moeten bovendien nog worden uitgewerkt. Zoals kwaliteitseisen van zorg en toegangscriteria tot de Wlz. 

‘Daarnaast is het een hell of a job voor gemeenten’, stelt van Tuijn. Gemeenten worden verantwoordelijk voor deze totaal nieuwe doelgroep, die uit bijna 35.000 mensen bestaat en waarmee een budget is gemoeid van ruim 817 miljoen euro. ‘Het geld wordt via een decentralisatie-uitkering met prestatietaken naar de centrumgemeenten overgeheveld. Omdat het besluit om beschermd wonen ook naar de Wmo over te hevelen laat – in november – is genomen, hebben gemeenten nog niet echt kunnen voorsorteren op de komst van ook deze doelgroep.’

Gemeenten wisten al wel lang dat ze verantwoordelijk zouden worden voor de ggz-cliënten die ambulante begeleiding krijgen. Het gaat om zo’n 77.000 mensen. De overheveling van de rijksbudgetten hiervoor gaan echter wel met een korting gepaard. Aanvankelijk zou het huidige budget met een korting van 25 procent aan gemeenten worden overgedragen, maar die is dankzij het zorgakkoord wat verzacht. Met de 195 miljoen euro extra die gemeenten in 2015 krijgen voor de Wmo, is volgens het ministerie sprake van een korting van 6 procent in 2015. Dit rekensommetje wordt overigens door menigeen in twijfel getrokken. Van Tuijn: ‘Hoe dan ook: het blijft een fikse korting die de gemeenten moeten opvangen.’

Om de overgang voor de 35.000 ggz-cliënten vanuit de Awbz naar de Wmo een succes te maken, vindt Van Tuijn wel dat ‘iedereen uit zijn comfortzone moet komen. Gemeenten, instellingen èn cliënten. Gemeenten moeten optrekken met het maatschappelijk middenveld. Ze moeten niet zelf alles willen verzinnen en uitvoeren. Laten zij zich op beleidsvorming concentreren en de uitvoering aan het maatschappelijk middenveld overlaten.’ De instellingen moeten open staan voor innovatie en cliënten moeten hun rol van minder passieve zorgconsument loslaten en inruilen voor een actievere rol.’ Mits mogelijk, zegt hij. ‘Ga uit van wat iemand kan, en niet van wat iemand níet kan.’

Het aanboren van eigen kracht en burgerschap is dan ook iets dat hem in de Wmo aanspreekt. Wat dat betreft is hij, met de vastgelegde waarborgen binnen, eigenlijk wel blij dat beschermd wonen niet onder de Zvw komt te vallen. ‘Daar waar in de Zorgverzekeringswet behandeling dominant is, staat bij Wmo begeleiding en participatie centraal.’ Dat past in het streven van de RIBW’s om te de-medicaliseren en de-institutionaliseren.